Boerendochters vereniging Almelo

1923 - 1948

 

Herinnering van mevrouw Hemmink – Bolk over het verenigingsleven van de boerendochters rondom Almelo.

Mijn ervaringen daarmee.

Nadat ik in 1934 van de Mulo kwam was er overal werkloosheid. Ik had verschillende losse baantjes, waardoor ik tussentijds cursussen kon volgen. Ik haalde een typediploma, een melkdiploma, volgde cursus knippen en naaien en 2 winters ook de Landbouwhuishoudcursus, want alleen dat diploma gaf je toegang tot de Boerendochtersvereniging, dat dus een Oud-leerlingenvereniging was.

Die huishoudcursus betekende gedurende 2 winters elke donderdagmiddag naar de Meisjesvakschool tegenover het oude postkantoor (nu de bioscoop aan het Amaliaplein). We leerden daar koken, wassen, strijken, tafeldekken, kortom: huishouden. Juffrouw Hoving gaf daar les. En hoe! Voedingsleer tot in de finesses, fijne keuken, dingen waar ik m’n hele leven plezier van heb gehad. Bij het afscheid had ik een liedje gemaakt voor juffrouw Hoving dat we samen zongen.

Vrijdag ’s avonds was er een soort Landbouwcursus voor meisjes, mijnheer Hoekstra en Broekhuis gaven die lessen. Overdag waren ze aan een lagere school verbonden. Later was dat mijnheer Dicker. Ze wijdden ons in in de geheimen van de land- en tuinbouw, vooral de groentetuin was voor ons belangrijk. Hierbij kwam bemestingsleer, scheikunde, vruchtwisseling , grondbewerking e.d. aan de orde. Een paar vruchtbare jaren na de strakke schoolperiode van de Mulo.

Toen had ik toegang tot de BDV en werd lid. Er waren toen ook katholieke boerenmeisjes bij. Het was 1936. Inmiddels had ik een vaste baan gekregen op kantoor bij Bendien Confectiefabrieken maar ik bleef me tussen de boeren bewegen, de stad trok me niet erg. Wel gingen we naar filmavonden van de Volksuniversiteit, zodat we er wel iets van gewaar werden.

Het toenmalig bestuur, Janna Boom, Dien Holsbrink, Riek Wassink, Janna Hinsenveld, vroegen me om mee te denken over een soort revue die ze wilden organiseren ter gelegenheid van het 12 1/2 jarig bestaan van de club. Dat zou dan voor de pauze kunnen, na de pauze kwam het jaarlijkse gezamenlijke toneelstukje .En het lukte!, een gevarieerd programma met liedjes, kleine meisjes die dansten, een paar gedichtjes in dialect van Riek Wassink en een paar schetsjes. Eentje weet ik nog, dat ging over een boerenjongen die een meisje zocht. Het was als volgt:

Ik zeuk een meeken mer één oet de boerenstaand

den as met miej warken wil

in hoes en boerenlaand

ne fikse deerne den lekker kokken kan

geleuf mer vriej doar passen ik miej gerne biej an.

 

En dan kwam er een meisje op die tegen hem zong maar tenslotte was er toch een happy-end.

Die avonden waren in het Groenendal dat later is afgebrand. In de loop der tijden waren we er kind aan huis. Eerst was er een Duitse mevrouw Gerant, later mijnheer Faber. We mochten altijd voor niets vergaderen en repeteren in de zaal van de Landbouwersbank, achter/boven de Maalderij, een kale zaal met een ploffende gaskachel. We kochten een zak pinda’s die we op tafel strooiden, dronken wat sap en waren vol enthousiasme en hadden echt lol.

Dat enthousiasme klonk door in de Bondsliederen waarvan de jongens er zelfs 3 hadden, er bleek telkens weer een nieuwe dichter te zijn. Voor de BDV heb ik er in die 30er jaren eentje gemaakt. Het typewerk deden we in het kantoor van de melkfabriek(‘s avonds).We kregen wel een beetje subsidie van de organisaties maar het moest altijd zuunig-an.

‘s Winters zaten we te borduren aan tafelkleden en –kleedjes e.d. om op de fokveedag in de herfst te verkopen en op die dag zelf bakten we oliebollen en maakten soep. Je had toen nog geen autokosten(je had geen auto). Wel zijn we één winter naar Hengelo getoerd met de taxi van Herman Nijhuis, 3 jongens en 3 meisjes + chauffeur voor repetities voor een revue van de Landbouwwinterschool. Verder altijd met de fiets of bus.

Een keer per jaar een gezamenlijke fietstocht door Twenthe en de Achterhoek of zo. Later werden dat bustochten, wat verder weg maar dat was samen met de BOO. Ik herinner me een keer een reisje naar Limburg met de trein, samen met de jongens. Tussendoor excursies naar vooral groentetuinen en cursussen op huishoudelijk en handwerkgebied, EHBO, op geestelijk en maatschappelijk gebied. O.a. van dokter van Ankum, de Vries Reiling van Volkshogeschool Diependaal in Markelo, Ds Samberg uit Delden, of een hovenier Sloet over bloemsierkunst, de heer Dubbink uit Aadorp over de groentetuin.

De Volkshogeschool die in die tijd in Markelo kwam had veel impact hier (even van huis). Soms een dag of een paar dagen logeren of een week of 14 dagen met lezingen en cursussen en tussendoor veldwerk. Eigenlijk een beetje als in Duitsland denk ik wel eens “Frisch und fröhlich”. Ook hadden we volksdanscursussen en avonden onder leiding van Jannie Krabbenbos, waaruit later de Korenaer is ontstaan.

Dokter van Ankum had het over de omgang tussen jongens en meisjes dus al wel een beetje sexuele voorlichting, er waren geen voorbehoedsmiddelen, tenminste dat wisten wij niet.

De heer Gast van de leerfabriek had films uit Oostenrijk, dus een ruime algemene ontwikkeling. Leren, daar ging het om, je was leergierig niet iedereen evenveel natuurlijk maar de meesten werden wel meegetrokken.

De cursussen en avonden werden ook geregeld verzorgd door de huishoudleraressen o.a. mevr Jans(v.d. architect) was adviserend lid, ze leerde ons dat een ontbottende tak in een weckpot ook mooi was, het hoefde niet persé een vaasje met bloemen te zijn. In die tijd was er ook een baby-hokje,waar de uitwerpselen naar beneden vielen, ’t was met 2 verdiepingen, dan hoefde je geen luiers meer te wassen, dat propageerde mevr. Jans ook, maar dat heeft geen opgang gemaakt. Het eerste adviserend lid was mej Smit, zij had ook meegeholpen met de oprichting van de BDV.

In 1940 vertrokken de oudjes, Dien Holsbrink verhuisde nadat ze getrouwd was met Jan Eshuis naar Woerden, zij was de eerste die “buitengaats” kwam te wonen. Janna Boom trouwde met Jan Steenhagen en Janna Hinsenveld met Johan Kromhof en dan was het afgelopen met de vereniging er was hier toen nog geen Boerinnenbond die kwam pas in 1946. Riek Wassink bleef nog een paar jaar voordat ze naar de N.O.P. vertrok. Ik werd toen tot secretaresse gekozen en heb dat 6 jaar gedaan.

Toen de oorlog kwam gingen we ondergronds. Het werd lastig met verduisteringen, jongens die opgepakt werden maar je leerde heel goed improviseren en we hadden wel onze bijeenkomsten, maar dan bij elkaar thuis. Ook de dansavonden ‘s zondags werden op verschillende deelen gehouden.

Een keer is er een inval geweest en hebben de jongens de nacht op het politiebureau gezeten. In die tijd hebben we zelfs een zangvereniging “Ons genoegen” gehad. Dat was ‘s zondags middags met ook nog een tweestemmige uitvoering in het Groenendal.

Na de oorlog was er nog de Allegorische optocht, waar we in klederdracht aan meededen en bevrijdingsfeesten in elke buurt en weer een revue: Wie zint er weer, in het begin van de oorlog hadden we: Wie zint der nog.

Van de beginjaren van die toneelstukjes(ken) herinner ik me dat ik met mijn vader en moeder naar Schouwburg Bellevue ben geweest, ik was denk ik een jaar of 12/14. Dat was naast de Bleekkerk(aan de stadskant). Oude Bats Janmaat speelde nog mee en Hendrik Nijland en Jannes Veerenhuis, van de Voele.

Het stuk heette “Woer as Boksenbeernd an Dika kwam.” Jans Veerenhuis kroop daarvoor in een heel grote wieg, een schommelwieg, ik vermoed van een tweeling, er waren groene saaien gordijntjes voor.

Ik vind het wel bijzonder dat nu na 78 jaar de jongelui nog steeds elk jaar dat toneel spelen, zij het niet gemakkelijk meer is om spelers te krijgen, naar ik hoor. Ze hadden soms een heel goede pers, professioneel bijna stond er dan in de krant.

In 1948 is de BDV opgegaan in de PJGO samen met de jongens waar toch al veel mee samengewerkt werd.

 

L.Hemmink-Bolk, januari 2010